4.3.6 Beheervoorzieningen

De dijk moet na de dijkversterking goed kunnen worden beheerd. Op basis van het Beheer en onderhoudsplan Waterkeringen (zie ook Paragraaf 9.2 ) zijn de ontwerpuitgangspunten voor de beheervoorzieningen bij dijkversterking GoWa vastgelegd. Het betreft onder meer eisen voor de maximale taludhelling van grastaluds en beheerstroken langs de dijk of op de berm. Dit in verband met toegankelijkheid voor materieel. Aan deze eisen is, ook rekening houdend met andere belangen, zo goed mogelijk voldaan.

Belangrijke beheervoorzieningen zijn beheerstroken, beheerafritten en calamiteitenpaden.

Een beheerstrook is wordt, afhankelijk van de specifieke situatie, gelegd langs de teen van de dijk of op de berm. Het is niet altijd mogelijk om de gewenste beheersituatie aan te leggen vanwege bestaande waarden, zoals bebouwing. In sommige gevallen is een beheerstrook niet nodig omdat de dijk via openbare weginfra reeds goed te onderhouden is. Beheerafritten worden aangelegd om de beheerstroken te ontsluiten, vanaf de kruin en soms via een wegaansluiting of perceelsontsluiting. Beheerafsttoken worden bij voorkeur tweezijdig ontsloten omdat onderhoudsmaterieel doorgaans niet kan keren op de beheerstrook. Als er geen weg op de kruin gesitueerd is dan wordt er een calamiteitenpad aangelegd te worden voor onderhoud en inspecties. Dit gebeurt ter plaatse van de drie omdijkingen (dijkvak 4a, 7f, 7k).

In verband met de beheerbaarheid van de dijk wordt op verschillende locaties steenbekleding aangebracht op het buitentalud. Dit gebeurt bij schaardijken om erosie te voorkomen. Verder wordt steenbekleding aangebracht ter voorkoming van schade door ophoping van drijfvuil op kwetsbare locaties.