Effecten op de rivier

Effect op dwarsstromen

Tijdens jaarlijks optredende hoge rivierafvoeren gaan de uiterwaarden meestromen. Bij de Crobsche Waard gaat dit pas vanaf ca 6.000 m3/s bij Lobith plaats vinden doordat er in het oosten een relatief hoge zomerkade aanwezig is. Bij dit soort hoge afvoeren vindt de instroom verspreidt plaats over een grote lengte van de zomerkade, hierdoor is er bij de instroom geen sprake van een geconcentreerde instoompiek die tot problemen voor de scheepvaart kan leiden. De uitstroom van de Crobsche Waard vindt in de huidige situatie wel over een relatief korte lengte plaats, hier wordt in de huidige situatie al een te hoge dwarsstroom berekend. Deze uitstroom kan leiden tot een dwarsstroming op de vaarweg. Een sterke dwarsstroming op de rivier kan ongewenste effecten hebben op de scheepvaart.

Figuur 6.5 knelpunten dwarsstroming huidige situatie

Voor de voorkeursvariant geld dat er een geringe toename in de dwarsstroming wordt veroorzaakt (toename van 1 tot 4 cm/s).

Figuur 6.6 Dwarsstroming

Binnen de uiterwaard is gezocht naar maatregelen om de knelpunten in de dwarsstroming te beperken. De meest effectieve maatregelen beperken de extra afvoer door de Crobsche Waard, maar daardoor wordt ook niet langer de riviercompensatie gehaald. Er zijn enkele maatregelen verkent om de mogelijkheden tot optimalisatie in beeld te brengen:

    1. Het verlagen van het maaiveld helemaal aan de westzijde van de Crobsche Waard, hierdoor vindt de uitstroom over een grotere lengte plaats, waardoor de dwarsstroomsnelheid af zal nemen.

    2. Het verhogen van de oever langs de oostzijde van de Crobsche Waard (aanleg van een kade op een hoogte van NAP +4,5 m met een lengte van circa 1 km), op deze wijze zal de dwarsstroming pas bij hogere afvoeren (boven 6000 m3/s bij Lobith) een rol gaan spelen.

Beide maatregelen zorgen voor een lagere dwarsstroomsnelheid bij de uitstroom van de Crobsche Waard. Bij 6.000 m3/s (5 dagen per jaar) is er nu sprake van een verbetering in plaats van een verslechtering (van 0,2 m/s naar 0,18 m/s). Bij 8.000 m3/s (eens per 5 jaar) is er nog wel sprake van een verslechtering maar deze is minder groot.

Om de hinderlijke dwarsstroming nog verder te beperken is beschouwd of de dwarsstroomsnelheid tot onder de norm afneemt bij combinatie van bovenstaande maatregelen. Het blijkt dat bij 8.000 m3/s de dwarsstroomsnelheid afneemt tot 0,36 m/s waar deze in de referentie situatie gelijk was aan 0,34 m/s. Op andere plekken is dan weer sprake van een verslechtering maar niet tot boven de norm (zie onderstaand figuur 6.7). Om de negatieve effecten op de rivier zo veel mogelijk te voorkomen zijn beide optimalisaties opgenomen in het ontwerp van de Crobsche waard.

Figuur 6.7 Dwarsstroming optimalisatie

Effect op morfologie

Een verandering van de stroomsnelheid in het zomerbed kan leiden tot erosie of juist aanzanding van de rivier. Het effect op morfologie kan worden ingeschat door de stroomsnelheidsverschillen bij lagere afvoeren te beschouwen. De Crobsche Waard gaat vanaf ca 6000 m3/s bij Lobith meestromen, vanaf die afvoer worden de stroomsnelheden in het zomerbed beperkt beïnvloed (circa 1-2 cm/s over een lengte van 1 km). Hierdoor zou er sprake kunnen zijn van geringe sedimentatie op dit deel van het traject. Wanneer alleen de jaarlijkse aanzanding wordt beschouwd is het jaarlijkse baggerbezwaar circa 20 m 3 .