1. Inleiding

Waterschap Rivierenland is van plan om de dijk tussen Gorinchem en Waardenburg (GoWa) te versterken, omdat deze niet meer voldoet aan de veiligheidsnorm. Om de dijkversterking mogelijk te maken moeten wettelijke procedures worden gevolgd en daar hoort het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) bij. Deze digitale rapportage betreft het MER voor de dijkversterking Gorinchem-Waardenburg.

Het MER zoals dat digitaal is weergegeven is op basis van het advies van de Cmer aangevuld voor archeologie en natuur . Daarnaast is de inrichting van de Woelse Waard geoptimaliseerd en is de impact op de scheepvaart  nader in beeld gebracht. Kleine aanpassingen in het ontwerp en verduidelijkingen naar aanleiding van de nota van antwoord zijn vanuit het projectplan Waterwet overgenomen in het MER. Deze toevoegingen leiden niet tot andere effecten of andere conclusies ten aanzien van de besluitvorming. De zienswijzen en het advies van de Cmer zijn meegenomen bij het opstellen van definitieve besluiten (het Projectplan Waterwet, de bestemmingsplannen en de vergunningen).

Het MER heeft gezamenlijk met het ontwerp Projectplan Waterwet, de Ontwerp Bestemmingsplannen en vergunningsaanvragen terinzage gelegen. Ook heeft de Cmer het MER getoetst. De Commissie heeft in het voorlopig toetsingsadvies geadviseerd om het MER aan te vullen voor wat betreft de effecten op de smient en de meervleermuis en de omgang met archeologische resten en dan pas een besluit te nemen over de dijkversterking. De provincie heeft dit advies overgenomen. Ze heeft een aanvulling voor archeologie en natuur  laten opstellen en de Cmer het aangevulde MER en de binnengekomen zienswijzen laten beoordelen.

De Cmer concludeert in het definitieve toetsingsadvies dat met het aangevulde MER rapport de provincie voldoende informatie heeft om te besluiten over het dijkversterkingsproject. Het aangevulde MER rapport beschrijft dat de dijkversterking op een moment en manier wordt uitgevoerd die schade aan beschermde diersoorten voorkomt. Ook is duidelijk gemaakt waar archeologische vindplaatsen zijn en hoe hier in het ontwerpproces rekening mee is gehouden. Wel zal op acht plekken pas bij de uitvoering blijken of archeologische waarden aanwezig zijn. Hiervoor beveelt de Cmer aan voorafgaande aan de uitvoering duidelijk te maken hoe een archeologische vondst kan worden behouden