Natuur

Referentiesituatie

Het zoekgebied binnen de Crobsche Waard bestaat uit agrarisch grasland, twee voormalige winplassen omringd door wilgen, een ondiepe zone direct achter de oeverwal en droog zachthoutbos (met braamstruweel en enkele forse wilgen) direct langs de toegangsweg (Crob) richting de steenfabriek. De ondiepe zone langs de oeverwal is door middel van een regelbare duiker verbonden met de oostelijke plas. Tussen beide plassen loopt een dijkje waarop een struinroute is gesitueerd, met halverwege restanten van een gebouw. De agrarische percelen worden begraasd en bemest. Direct langs de Waal is sprake van zandafzetting op de oeverwal, maar er groeien ook soorten die indicatief zijn voor een voedselrijke/verstoorde bodem (o.a. grote brandnetel). Enkele jaren terug is in het kader van het project Stroomlijn bosschage en laanbeplanting direct langs de Crob verwijderd.

Beschermde gebieden

Vrijwel de hele Crobsche Waard maakt onderdeel uit van het Gelderse Natuurnetwerk (figuur 6.18). Globaal gezien is het oostelijk deel aangewezen als Gelderse Natuurnetwerk (GNN) met bijbehorende kernkwaliteiten en beheertypen. Het westelijk deel is aangewezen als Groene Ontwikkelingszone (GO), waarvoor de ontwikkelingsdoelen van toepassing zijn. Het plangebied (het deel van de Crobsche Waard waar de riviercompensatie c.q. zandwinning plaatsvindt (het ruimtebeslag van de maximale variant) maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde N2000-gebied Rijntakken, bevindt zich op circa 2,5-3 kilometer stroomopwaarts langs de Waal.

Figuur 6.18 Uitsnede kaart NNN gebied. Lichtgroen de Groene Ontwikkelingszone en donkergroen het Gelderse Natuurnetwerk.

Beschermde soorten

De Crobsche Waard heeft een relatief hoge ecologische waarde. Het gebied bestaat uit een afwisseling van voormalige winplassen, zacht houtooibos en vochtige graslanden. De bever komt wijd verspreid voor in de Crobsche Waard en voor de kamsalamander lijkt dit gebied een belangrijk kerngebied in de verspreiding van deze soort. Verder komen reeën voor in deze uiterwaard. Hieronder worden de soorten – per beschermingsregime – beschreven. De gegevens zijn ontleend aan Emond et al, 2018 en de Nationale Database Flora Fauna (NDFF, geraadpleegd op 6 maart 2019). Op 6 maart 2019 is een ecologische veldinspectie uitgevoerd. Voor meer informatie over het uitgevoerde onderzoek zie het Soortenmanagementplan deel I .

In onderstaande tekst worden enkele gebiedsaanduidingen gebruikt (zoals geïsoleerd plasje). Deze aanduidingen zijn weergegeven in figuur 6.19.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn

Van de soorten met een jaarrond beschermde nestplaats zijn uit de Crobsche Waard buizerd, sperwer, boomvalk en ooievaar bekend. De steenfabriek en omgeving biedt geschikt territorium voor de steenuil, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van deze soort. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn (voor zover bekend en waargenomen op 6 maart 2019) geen nestplaatsen van genoemde soorten aanwezig. De ooievaar broedt langs de ijsbaan, net ten noorden van de toegangsweg, en sperwer (mogelijk) rond het Waardmanshuis, op het terrein van de steenfabriek. Wel maakt het plangebied (in potentie) onderdeel uit van het leefgebied (foerageergebied) van deze soorten.

Van de soorten zonder jaarrond beschermde nestplaats is de lepelaar- en aalscholverkolonie benoemenswaardig. Beide soorten bevinden zich in het centrale deel van de Crobsche Waard, buiten het zoekgebied.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn

Van de bever zijn (in ieder geval twee) verblijfplaatsen bekend in de zuidwesthoek van de oostelijke plas. De plas en opgaande beplanting langs de omliggende oevers vormt het leefgebied van deze soort. De centrale plas is geheel uitgerasterd en ontoegankelijk voor bevers; (vraat)sporen ontbreken hier dan ook.

Bij het veldonderzoek in het kader van de dijkversterking zijn ter hoogte van de dijk langs de Crobsche Waard paarverblijfplaatsen aangetroffen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De wilgen rond de geïsoleerd liggende plas hebben naar verwachting dezelfde betekenis, maar kraam- of winterverblijven zijn hier uitgesloten.

De forse wilgen in het droge zachthoutooibos bieden in potentie wel mogelijkheden voor kraam- of winterverblijven, maar er is niet onderzocht of deze ook werkelijk aanwezig zijn omdat in alle varianten dit droge zachthoutooibos gespaard blijft. In hoeverre de bomen langs de toegangsweg onderdeel zijn van een vliegroute is niet bekend. Vanuit de bebouwde kom van Haaften zijn twee vliegroutes bekend die vanaf de oostzijde de Crobsche Waard binnen vliegen. Zowel de laanbomen als de vliegroutes over de dijk worden niet aangetast door de varianten.

De al eerder genoemde kamsalamander komt zowel binnen- en buitendijks voor. Binnen het plangebied wordt de geïsoleerd liggende plas als voortplantingswater gebruikt. Na een hoogwaterperiode wordt ook de ondiepe zone langs de oeverwal gebruikt als voortplantingswater; maar dat is vrij incidenteel. Rond het Waardhuis (op het hoogwatervrije terrein) worden de dieren op land aangetroffen (med. SBNL). Aangezien er ook waarnemingen zijn van dieren op de dijk mag aangenomen worden dat de dieren zowel op het hoogwatervrije terrein overwinteren als in de dijk, dan wel binnendijks rond woonerven.

De rugstreeppad heeft de zwaartepunt van zijn verspreiding in de Crobsche Waard rond de steenfabriek. De werkzaamheden aldaar zorgen voor een afwisseling van ondiepere watertjes voor de voortplanting en hoogwatervrij overwinteringbiotoop. Maar ook de geïsoleerd liggende plas binnen het plangebied wordt gebruikt als voortplantingswater.

Uit de tegenover gelegen Bremwaard (zuidzijde Waal) zijn waarnemingen van de poelkikker bekend. Uit de Crobsche Waard is een ‘zeer waarschijnlijke’ waarnemingen van een poelkikker verzameld ter hoogte van dijkvak 5b. Binnen het plangebied vormt de geïsoleerd liggende plas potentieel voortplantingswater voor de poelkikker.

Langs de Waal komt de rivierrombout voor. Larven van de rivierrombout groeien op in de bodem van de kribvakken en ‘sluipen’ uit op de zandstrandjes. Kruidenrijke zones vormen het jachtgebied. Ter plaatse van de Crobse Waard zijn vooralsnog geen waarnemingen bekend. Het zou hier dus gaan om potentieel leefgebied.

Figuur 6.19 Kaart op basis van AHN met daarop aangegeven de in de tekst hierboven gebruikte gebiedsaanduidingen.

Beschermingsregime andere soorten

Van het Beschermingsregime andere soorten worden alleen de soorten zonder provinciale vrijstelling besproken. Uit het zoekgebied is een zichtwaarneming bekend van bunzing (med. SBNL). Uit het veldonderzoek in het kader van de dijkversterking zijn in de Crobsche Waard ook wezel en hermelijn vastgesteld in dijkvak 5d (westzijde Crobsche Waard). Het aldaar aanwezige biotoop is vergelijkbaar met het droge zachthoutbos (met braamstruweel) binnen het zoekgebied, en is dus geschikt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen.

De aanwezigheid van beschermde planten kon met het veldbezoek van begin maart lastig worden aangetoond, maar de oeverwal en aanwezige dijkjes bieden wel potenties voor soorten van zandige groeiplaatsomstandigheden. De lagere delen bieden weinig potentie voor aanwezigheid van beschermde planten.

Van overige beschermde soorten (vlinders, libellen etc.) zijn geen waarnemingen bekend noch te verwachten.

Samenvattend

Samenvattend zijn de volgende soorten van belang voor de effectenbeoordeling: ooievaar (leefgebied), sperwer (leefgebied), bever (oostelijke plas), paarverblijfplaatsen van vleermuizen, rugstreeppad, kamsalamander en poelkikker (voortplantingswater, landbiotoop), rivierrombout (oever Waal), kleine marterachtigen en mogelijk één of meerdere plantensoorten.

Toelichting effecten varianten

Effect op beschermde soorten

Met de varianten 1a en 1b verdwijnt er geen leefgebied van aanwezige beschermde soorten. Ook het potentieel leefgebied voor poelkikker, rivierrombout en kleine marterachtigen wordt in deze varianten niet aangetast. De varianten 2a en 2b leiden ertoe dat het geïsoleerde plasje en daarmee het leefgebied van kamsalamander verdwijnt en mogelijk dat van poelkikker en rugstreeppad. In deze twee varianten wordt de laagte achter de oeverwal, die incidenteel gebruikt wordt als voortplantingswater door kamsalamander, nog maar moeizaam bereikbaar voor deze soort. Omdat ook de wilgen rondom het geïsoleerde plasje verdwijnen, verdwijnen hier ook potentiële paarverblijven voor vleermuizen. In variant 3a komen bovenop de effecten van de varianten 2a en 2b het verlies van de laagte achter de oeverwal en het leefgebied van de bever in de zuidwesthoek van de oostelijke plas. Variant 3b leidt ertoe dat naast alle effecten van variant 3a hier aanvullend nog leefgebied van rivierrombout verdwijnt. In de volgorde 1a tot en met 3b neemt ook het oppervlak geschikt foerageergebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats af.

Effect op beschermde gebieden

Alle varianten vallen geheel of deels binnen de Groene Ontwikkelingszone. Het ruimtebeslag van elk van de varianten leidt ertoe dat bepaalde ontwikkelingsdoelen natuur en landschap (binnen de GO) niet kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld ontwikkeling glanshaverhooilanden (land wordt immers water). Daar staat echter tegenover dat met elk van de varianten in meer of mindere juist andere ontwikkelingsdoelen een kans krijgen, bijvoorbeeld ontwikkeling water- en oeverhabitats. Om deze reden wordt het effect van alle varianten op de ontwikkelingsdoelen natuur en landschap als neutraal beoordeeld.

De varianten 1a tot en met 2b leiden niet tot aantasting van de kernkwaliteiten en de beheertypen van het GNN omdat deze varianten daar (net) buiten vallen. Variant 3a en vooral variant 3b leidt wel tot aantasting van de beheertypen van het GNN. Hiervoor zal compensatie moeten plaatsvinden. In beide wordt de kernkwaliteit ‘plaatselijk kleinschalig landschap’ aangetast en in variant 3b komt daar nog aantasting van de kernkwaliteit ‘dynamische rivier met actieve geologische en geomorfologische processen, water-, sediment- en diasporentransport’ bij.

Kansen voor natuurontwikkeling

Omdat er in de Crobsche Waard al een ruim oppervlak aan (diep) water aanwezig is, biedt het meerwaarde om voor natuurontwikkeling in te zetten op de ontwikkeldoelen moerassen, ruigteranden en laag gelegen bloemrijke graslanden en water- en oeverhabitats. Varianten 1 en 2 bieden meer mogelijkheden om deze ontwikkeldoelen te realiseren dan variant 3, omdat er minder oppervlak wordt ingenomen door open water (de nieuwe geul). Daarbij hebben varianten 1a en 2a, vanwege het meer fllauwe profiel van de oevers van de geul, meer potentie om bij te dragen aan de realisatie van de ontwikkeldoelen water- en oeverhabitats dan de varianten 1b en 2b.  Behoud en versterking van kleinschaligheid past goed in dit deel van de Crobsche Waard.

Wanneer er gekeken wordt naar de potentie voor KRW, dan is er vooral baat bij ondiepe zones met flauwe taluds. De reden is dat hiermee opgaven als paai- en opgroeigebied voor vissen, leefgebied voor macrofauna en de ontwikkeling van waterplantenvegetaties en helofytenzone’s positief gediend zijn. Variant 2a komt hier het meest aan tegemoet, gevolgd door 1a, 1b en 2b. De varianten 3a en 3b voegen weliswaar een groot oppervlak (diep) water toe, maar dit is binnen de Crobsche Waard van weinig tot geen toegevoegde waarde (omdat dit biotoop reeds in ruime mate aanwezig is). Diep water, zoals over een groot deel van variant 3a en 3b ontstaat, is weliswaar geschikt voor vis, maar niet tot minder geschikt als paai- en opgroeigebied. Ook is het niet geschikt voor vestiging van waterplanten. Ook helofyten vestigen zich moeizaam langs / nabij diep water.

Om effecten te voorkomen en kansen te benutten zijn onderstaande aspecten bij de keuze van de voorkeursvariant en de verdere uitwerking ervan van belang:

  • geïsoleerde plas behouden;

  • (het Waardhuis voortplantingswateren voor rugstreeppad en kamsalamander realiseren;

  • dijkje behouden;

  • ondiepe zone achter oeverwal behouden;

  • op het hoogwatervrije terrein oeverwal en zandafzetting behouden;

  • meer water = meer leefgebied voor de bever.

Beoordeling varianten

De varianten 1a tot en met 2b hebben geen tot nagenoeg geen effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Variant 3a en met name 3b grijpt sterk in op (potentieel) leefgebied van beschermde soorten. Beiden leiden tot een compensatieopgave in het kader van het GNN. De varianten 1a en 2a geven de grootste kansen voor natuurontwikkeling.

Tabel 6.17 Effecten natuur

 

Variant 1a

Variant 1b

Variant 2a

Variant 2b

Variant 3a

Variant 3b

Effect op beschermde soorten

0

0

-

-

--

---

Effect op beschermde gebieden

0

0

0

0

-

--

Kansen voor natuurontwikkeling

++

+

++

+

0

0