Natuur

Referentiesituatie

De Woelse Waard bestaat uit graslandpercelen en forse winplassen langs de rivier met opgaande vegetatie. Het gebied kent vier voormalige winplassen, waarvan de tweede (bezien vanuit west) is verbonden met de Dalemsche Geul en de Dalemse Overlaat in de Dalemsche Dijk. De plassen variëren in diepte. De meest westelijke plas uitgezonderd staan de overige plassen rechtstreeks in verbinding met de rivier. Rond de plassen en langs de Dalemsche Geul bestaat de vegetatie uit wilgenbos en –struweel, maar deze zijn niet geheel omsloten door opgaande vegetatie. Dit geldt ook voor een oude strang langs de dijk, in het westelijk deel. De graslandpercelen hebben een beperkt hoogteverschil. Her en der staat een forse wilg solitair in de weilanden. Het meest westelijke deel maakt deel uit van de vestingwerken rond Gorinchem en ligt wat verhoogd ten opzichte van de omliggende percelen. Deze zijn toegankelijk voor publiek en wordt intensief gebruikt als hondenuitlaatplaats.

Figuur 6.99 Oeverzone van één van de plassen (links) en zicht op de graslandpercelen in het oostelijk deel van de Woelse Waard (rechts)

Beschermde gebieden

De hele Woelse Waard maakt in zijn geheel onderdeel uit van het Zuid-Hollandse Natuurnetwerk. Het plangebied maakt een klein onderdeel uit van het deelgebied De Waarden. Voor het gebied zijn natuurdoeltypen geformuleerd die staan voor zowel biotische als abiotische kenmerken van betreffende natuur en levensgemeenschappen. Als ‘waarden en kenmerken’ zijn aspecten benoemd als (ongestoorde en oorspronkelijke karakter van) bodem, geologie en hydrologie. Zie voor meer informatie het NNN-compensatieplan

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde N2000-gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem), bevindt zich vrijwel direct aan de overzijde van de Boven Merwede / Waal. Een paar kilometer stroomafwaarts ligt het Natura 2000-gebied Biesbosch.

Figuur 6.100 Uitsnede kaart NNN gebied Zuid-Holland. Groen staat voor bestaande en nieuwe natuur; blauw voor grote wateren.

Beschermde soorten

Mede door het intensieve agrarische gebruik wordt de ecologische waarde van de Woelse Waard grotendeels bepaald door de hoge aantallen ganzen die hier foerageren in de wintermaanden. Hetzelfde intensieve beheer zorgt ervoor dat de aanwezige vegetatie beperkt lijkt tot algemene plantensoorten. De verbinding van de plassen met de rivier maakt ze interessant voor vis, maar hier zijn geen gegevens van voorhanden. Een soort die zijn leefgebied heeft in de oeverzones van de plassen is de beschermde bever.

Hieronder worden de soorten – per beschermingsregime – beschreven. De gegevens zijn ontleend aan Emond et al, 2018, de Nationale Database Flora Fauna (NDFF, geraadpleegd op 27 maart 2019) en een veldbezoek op 19 maart en 28 mei 2019. Zie ook het Soortenmanagementplan deel I voor gegevens over het onderzoek en de uitkomsten.

In onderstaande tekst worden enkele gebiedsaanduidingen gebruikt (zoals Dalemsche Geul). Deze aanduidingen zijn weergegeven in figuur 6.101.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn [1]

Van de soorten met een jaarrond beschermde nestplaats zijn uit de Woelse Waard en directe omgeving waarnemingen bekend van buizerd, sperwer, ransuil, huismus en gierzwaluw. Hiervan broedt de buizerd langs één van de plassen in de uiterwaard. Sperwer is alleen bekend uit de brondata en betreft een waarneming uit het Groote Wiel. Ter hoogte van de Dalemse Overlaat is ransuil vastgesteld. De uiterwaard maakt onderdeel uit van het leefgebied van deze soorten.

Binnendijks en in de dijkwoningen zelf zijn waarnemingen bekend van huismus (bron- en veldata) en gierzwaluw (alleen brondata). Bijbehorende erven maken onderdeel uit van het territorium van de huismus; gierzwaluw is gebonden aan een veel groter oppervlak van het luchtruim.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn

Van de bever zijn langs alle plassen vraatsporen aanwezig. De vermoedelijke burcht bevindt zich in de plas direct ten oosten van de Dalemsche Geul. Omliggende oevers met opgaande beplanting vormen het leefgebied van deze soort. In het water langs de vestingwerken is een oeverhol aanwezig die waarschijnlijk ook toebehoort aan bever. Ook hier zijn verse vraatsporen aangetroffen bij de (spaarzaam) aanwezige houtige gewassen in dit deel.

Uit het veldonderzoek in het kader van de dijkversterking zijn binnen de periferie van de dijk enkele baltsende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Rond de Dalemse Overlaat zijn zwermende dieren geregistreerd. Zwermactiviteiten met meerdere dieren wijzen (mogelijk) op de aanwezigheid van een kraamgroep, doorgaans gebonden aan kraamverblijfplaatsen in meerdere bij elkaar gelegen gebouwen. Rond de plassen heeft geen onderzoek plaatsgevonden maar de oude wilgen bieden potentiele paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk ook rosse vleermuis. De losse wilgen in de graslandpercelen zijn door hun geïsoleerde ligging van weinig betekenis.

Daarnaast zijn – wederom binnen de periferie van de dijk – rosse vleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en de eerder genoemde gewone dwergvleermuis waargenomen die hier foerageren. Deze soorten foerageren boven en rond de plassen, net als myoten (meervleermuis, watervleermuis). De open graslandpercelen zijn van zeer beperkte betekenis als foerageergebied. Vliegroutes vanuit binnendijkse (kraam)verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen, maar voor de alternatievenstudie ook niet relevant.

Uit de uiterwaard zijn geen beschermde vissen en amfibieën van het Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn bekend, hoewel de plassen zelf niet zijn onderzocht in het kader van de dijkversterking.

Langs de Waal komt de rivierrombout voor. Larven van de rivierrombout groeien op in de bodem van de kribvakken en ‘sluipen’ uit op de zandstrandjes. Kruidenrijke zones vormen het jachtgebied. Binnen het plangebied zijn uit de brondata op diverse plekken (waaronder de plassen) waarnemingen bekend van deze soort.

Beschermingsregime andere soorten

Van het Beschermingsregime andere soorten worden alleen de soorten zonder provinciale vrijstelling besproken. Uit de NDFF zijn uit de Woelse Waard geen waarnemingen van kleine marterachtigen bekend (< 10 jaar); uit het veldonderzoek in het kader van de dijkversterking is de wezel vastgesteld in de bosschage langs de strangrestant. Ook de opgaande vegetatie rond de plassen vormt potentieel leefgebied voor kleine marterachtigen.

Tijdens de veldbezoeken is rond de Dalemsche geul de spindotterbloem aangetroffen; een typische getijdensoort. Aanwezigheid van beschermde planten is niet vlakdekkend onderzocht, maar de wel zichtbare soorten en het gevoerde (bemestings)beheer geven geen indicaties voor aanwezigheid van andere beschermde soorten.

Van overige soorten (vlinders, libellen etc.) zijn geen waarnemingen bekend noch te verwachten.

Samenvattend

Gelet op de alternatieven die er nu liggen zijn de volgende soorten van belang voor de effectenbeoordeling: buizerd, sperwer en ransuil (leefgebied), bever (plassen), kleine marterachtigen (leefgebied), paarverblijfplaatsen van vleermuizen, rivierrombout (plassen) en spindotterbloem (groeiplaatsen).

Figuur 6.101 Kaart op basis van luchtfoto met daarop aangegeven de in de tekst hierboven gebruikte gebiedsaanduidingen.

Toelichting effecten varianten

Effect op beschermde soorten

Varianten 1a en –b zijn vergelijkbaar qua ruimtebeslag, maar variëren in diepte en oeverprofiel. Bij variant 2a en –b zit het verschil hem met name in de ligging van de strangen. Bij alle varianten is sprake van enige aantasting van het leefgebied van bever en kleine marterachtigen en aantasting van groeiplaatsen van spindotterbloem. Maaiveldverlagingen tussen de plassen brengt ook weer geschikte groeiplaatsomstandigeden voor spindotterbloem met zich mee. De nestlocatie van de buizerd blijft bij alle varianten behouden, hoewel buizerd niet per definitie elk jaar dezelfde nestboom gebruikt. Voor zowel buizerd, sperwer en ransuil geldt dat grasland wordt omgezet in water, waardoor leefgebied van marginale kwaliteit verdwijnt. De rivierrombout heeft naar verwachting meer profijt bij varianten 2a en –b dan bij 1a en –b, door een toename van ondiepe oeverzones.

Effect op beschermde gebieden

Alle varianten vallen geheel binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het ruimtebeslag van elk van de varianten leidt ertoe dat bepaalde natuurdoeltypen niet kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld ontwikkeling kruiden- en faunarijk grasland daar waar de strangen komen. Bij varianten 1a en –b verdwijnt door de maaiveldverlagingen ook het natuurdoeltype moeras zonder dat hier nieuwe oppervlak voor terugkomt. Varianten 2a en –b bieden wel mogelijkheden voor moerasontwikkeling en scoort daarmee beter dan 1a en –b. Door de diepere afwerking van de strangen bij variant 1b scoort deze bovendien slechter dan 1a.

Beoordeling varianten

De effecten op natuur zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 6.53 Effecten natuur

 

Variant 1a

Variant 1b

Variant 2a

Variant 2b

Effect op beschermde soorten

-

-

+

+

Effect op beschermde gebieden

-

--

+

+

  • 1 Op grond van door het ministerie van EZ verstrekte handreikingen worden nesten van de volgende soorten als jaarrond beschermde nestplaatsen beschouwd: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw.