Landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden

Referentiesituatie

Landschap

De Herwijnense Bovenwaard is een langgerekte en smalle uiterwaard. Ruimtelijk is de uiterwaard te verdelen in een open deel in het westen en een halfopen deel in het oosten.

De kop van Kerkeneind in het westen en de aansluitende dijk bieden een weids en open landschap. Een oude strang langs de dijk hier is nog goed zichtbaar. Het grasland kent verder geen randbeplanting en het pad naar het voormalige voetveer is nog steeds begaanbaar.

Figuur 6.57 Landschapsanalyse Herwijnense Bovenwaard

Centraal in het halfopen deel ligt een plas, rondom staan bomen. De voormalige steenfabriek heeft hier zijn sporen achtergelaten in het landschap, in de uiterwaard zijn door de jaren heen verschillende kleiputten gegraven. Nu ligt er een aaneengesloten open langgerekte plas. Ten westen van deze plas ligt de historische buitenplaats Frissestijn, deze kenmerkt zich door een klein hoogteverschil met enkele fruitbomen en natuurlijke begroeiing. Daarnaast is in de uiterwaard een begroeide kade, een oude puinrug, terug te vinden

De uiterwaard ligt aan een bochtige dijk. Het tracé kent twee omdijkingen, in het oosten ter hoogte van Boveneind waar de voormalige steenfabriek stond en bij Kerkeneind ten westen van de buitenplaats Frissestijn. In het oosten had de steenfabriek zijn bebouwing staan met een eigen haven. Op de locatie van deze steenfabriek ligt nieuwe woonwijkje. Op verschillende plekken langs de dijk staat lintbebouwing, soms ter weerszijde. Doorkijkjes vanaf de dijk tussen de woningen bieden zicht op de rivier.

Open zicht vanaf de dijk richting de rivier Zicht vanaf de dijk over het halfopen landschap

Archeologie

Op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Lingewaal (nu onderdeel van de gemeente West Betuwe) is aan de gronden in de Herwijnense Bovenwaard grotendeels een lage archeologische verwachting toegekend, met uitzondering van het kasteelterrein Frissestijn en een deel oude woongrond dat buitendijks is gekarteerd (zie figuur 6.58). Aan het water in de Herwijnense Bovenwaard is geen archeologische verwachting toegekend (zie figuur 6.58).

Figuur 6.58 Uitsnede archeologische beleidskaart voormalige gemeente Lingewaal. Bron: gemeente Lingewaal 2012.

In het bestemmingsplan Buitengebied (NL.IMRO.0733.BpBuitengebied-VA01), is voor de gronden met een lage archeologische verwachting de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 4 opgenomen. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt dat bodemroerende ingrepen dieper dan 1 meter beneden maaiveld vergunningplichtig zijn vanuit de archeologie, wanneer deze een oppervlakte beslaan van 5.000 m 2 of meer. Het terrein van het voormalig kasteel Frissestijn is een archeologisch rijksmonument. Hiervoor is in het bestemmingsplan Buitengebied geen dubbelbestemming opgenomen omdat voor dit terrein niet de gemeente, maar het rijk bevoegd gezag is. Voor ingrepen ter hoogte van het monument dient een archeologische monumentenvergunning te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

De lage archeologische verwachting in de Herwijnense Bovenwaard is met name vanwege het feit dat oudere fossiele stroomgordels in de ondergrond hier geërodeerd zijn door de Waal (zie figuur 6.80). Voorafgaand aan de bedijking vormden de stroomruggen in het rivierengebied de hoger gelegen delen van het landschap, die aantrekkelijk waren voor bewoning.

Figuur 6.59 Holocene stroomgordels ter hoogte van de Herwijnense Bovenwaard. Bron: Cohen et al. 2012.

In 2015 is in het kader van de dijkversterking Gorinchem-Waardenburg een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd [Transect 2015]. In dit onderzoek zijn alle bekende en te verwachten archeologische waarden geïnventariseerd. Hierbij is ook de Herwijnense Bovenwaard meegenomen. De inventarisatie voor de Herwijnense Bovenwaard is in het kader van onderhavige rapportage geactualiseerd.

In de Herwijnense Bovenwaard is één terrein van archeologische waarde gelegen (zie figuur 6.60). Het terrein is een archeologisch rijksmonument (monument 870; rijksmonument 45.559). Het betreft een wettelijk beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde met de resten van het kasteel Frissestijn (het Huis te Herwijnen) uit de Late Middeleeuwen (14 e / 15 e eeuw). Het kasteelcomplex bestaat uit een hoofdburcht en een voorburcht, omgeven door grachten. Als buitendijkse rivierburcht is het een bijzonder complex. De funderingen zijn waarschijnlijk nog allemaal aanwezig. De aanleg is gaaf bewaard. Er zijn twee kleine ontgrondingen aan de rand van het terrein uitgevoerd. In 1939 vond een kleine ontgraving plaats waarbij bakstenen funderingen werden aangetroffen (formaat 27,5 x 13,5 x 6,5 cm). Aan de oostzijde is enige afslag en erosie ontstaan. De grachten zijn nog in het landschap herkenbaar. De middeleeuwse burcht bestond uit een voorburcht van circa 40 x 28 meter en een hoofdburcht van circa 37 x 37 meter. Beide terreinen waren met elkaar verbonden door een houten brug. Volgens afbeeldingen van voor 1672 bestond de voorburcht uit een vierkant terrein met op de oosthoek een ronde toren met uitgebouwde toilettoren en aan de noordwestzijde een hoge vierkante poorttoren met uitgebouwde traptoren. Tenminste langs de zuidwestzijde en de noordwestzijde stonden bijgebouwen. Een 17 e -eeuwse plattegrond van het huis maakt het mogelijk de hoofdburcht te omschrijven. Het huis had een U-vormige plattegrond, die bestond uit een rechthoekige zaalbouw en twee torens of nagenoeg vierkante vleugels. Deze u-vorm werd afgesloten door middel van een uitgebouwde poorttoren. De wijze waarop de plattegrond is getekend, doet vermoeden dat dit huis te Herwijnen in één bouwfase is ontstaan. Uit opgravinggegevens blijkt dat de funderingen van de hoofdburcht 1,53 meter dik waren. Het aangetroffen baksteenformaat was 27,5 x 13,5 x 5 cm, hetgeen datering in de 14 e of 15 e eeuw mogelijk maakt. Het kasteel had in de loop der tijd veel te lijden van overstromingen. In 1672 werd het kasteel door de Fransen verwoest. Misschien werd het daarna weer opgebouwd, maar in de 18 e eeuw werd het verder verwaarloosd; wat er nog van over was werd begin 19 e eeuw afgebroken. In 1828 werd het huidige huis Frissestein gebouwd, maar dat staat niet op de plaats van het middeleeuwse Huis te Herwijnen. Het huidige Huis Frissestein staan binnendijks (Waaldijk 145).

Figuur 6.60 Monumenten en vondstlocaties geregistreerd in Archis in de Herwijnense Bovenwaard. Bron: RCE/Archis december 2018.

In de omgeving van de Herwijnense Bovenwaard – aan de binnenzijde van de dijk – liggen nog twee wettelijk beschermde terreinen van zeer hoge archeologische waarde (zie figuur 6.60). Het gaat hierbij om de een verhoogd gelegen kerkterrein en vluchtberg uit de Late Middeleeuwen (monument 867) en een terrein met resten van het kasteel Engelenburg (monument 869).

In het Archeologische Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed is in de Herwijnense Bovenwaard één vondstlocatie geregistreerd (zie figuur 6.60). Deze houdt verband met het wettelijke beschermde terrein van het voormalige kasteel Frissestijn. Ter hoogte van de Herwijnense Bovenwaard zijn in Archis alleen archeologische bureauonderzoeken geregistreerd. Er heeft geen archeologisch booronderzoek of gravend archeologisch onderzoek plaatsgevonden.

De Herwijnense Bovenwaard en het kasteelterrein Frissestijn staan afgebeeld op de ‘Caarte van een gedeelte van de bandijk neffens de situatie van de daarvoor leggende waj, rijsweerden en willige passen onder Herwijnen gelegen’ van J. Leempoell uit 1748 (zie figuur 6.62).

Figuur 6.62 Uitsnede uit de ‘Caarte van een gedeelte van de bandijk neffens de situatie van de daarvoor leggende waj, rijsweerden en willige passen onder Herwijnen gelegen’ van J. Leempoell uit 1748, met daarop de Herwijnense Bovenwaard; let op: het noorden is rechtsonder. Bron: Gelders Archief, 0124 Hof van Gelre en Zutphen 5834.

Het kasteelterrein is toegankelijk vanaf de Waaldijk. Het toegangshek bestaat vandaag de dag nog en is een gemeentelijk monument. Het kasteelterrein is afgesneden van het toegangshek door het in de jaren 90 van de 20 e eeuw aangelegde dijklichaam. Ten oosten van de toegang tot kasteel Frissestijn is de laan naar kasteel Engelenburg te zien (het kasteel zelf staat niet op de kaart). Ook hier staat vandaag de dag nog een toegangshek. Dit hek heeft geen monumentale status. Het kasteelterrein Frissestijn is op de kaart omgeven door boomgaarden en wilgen ‘passen’. Ten zuiden daarvan zijn ‘lies en onlanden’ gelegen en een ‘kille’. Een kil of kille is van oorsprong een kreek, maar wordt ook meer algemeen gebruikt om een watergeul aan te duiden. Ten zuiden van het Kerkeneind is een brug over de kil weergegeven, die naar de veerweg in de uiterwaard leidt. In de uiterwaard is ook een veerhuis afgebeeld (zie figuur 6.63).

Figuur 6.63 Uitsnede uit de ‘Caarte van een gedeelte van de bandijk neffens de situatie van de daarvoor leggende waj, rijsweerden en willige passen onder Herwijnen gelegen’ van J. Leempoell uit 1748, met daarop het kerkeneind en het kasteelterrein Frissestijn; let op: het noorden is rechtsonder. Bron: Gelders Archief, 0124 Hof van Gelre en Zutphen 5834.

Op de rivierkaart uit 1832 (1 e druk, serie 1, kaartblad 10 Zuilichem) is te zien dat de uiterwaard aanzienlijk geslonken is ten opzichte van de situatie op de kaart uit 1748 (zie figuur 6.64). De rivier ligt aanzienlijk dichter bij het Kerkeneind dan daarvoor. In de rivier is een eiland ontstaan. Er is geen veerweg of veerhuis meer in de uiterwaard. Wel is er sprake van een voetveer ter hoogte van de verder naar het oosten gelegen steenoven. Op de 1 e herziening van de rivierkaart uit 1875 (1 e herziening, serie 1, kaartblad 10 Zuilichem) is deze steenoven verdwenen en zijn twee nieuwe ovens dichter bij de dijk te zien (De Arend van A, Vervoorn en de steenoven van J.A. Mijnlieff ). Ten oosten van de ovens is een kanaal/haven gegraven. Ook zijn enkele werkzaamheden in het kader van de riviernormalisatie te zien. Het eiland in de Waal is dan ´in opruiming´ en tussen het Kerkeneind en het te verwijderen eiland is een krib aangelegd (zie figuur 6.65). Door deze ingrepen verdwijnt de ontstane noordelijke nevengeul uiteindelijk en wordt de loop van de rivier naar het zuiden gedwongen. Op de 2e herziening van de rivierkaart uit 1960 (2 e herziening, serie 1, kaartblad 11 Zuilichem, 4 e uitgave) is het gebied rondom de in de 19 e eeuw aangelegde lange krib volledig verland (zie figuur 6.66). Ook is op deze kaart een groot steenfabriekscomplex (steenfabriek Markerwaard) te zien in het oosten van het gebied. Direct ten westen daarvan zijn grote plassen stilstaand water gekarteerd. Vermoedelijk zijn deze ontstaan door kleiwinning in het gebied. De steenfabriek Markerwaard (of Pieterswaard) is de opvolger van de steenovens De Arend van A, Vervoorn en de steenoven van J.A. Mijnlieff op de rivierkaart uit 1875 (zie figuur 6.65).

Op de archeologische verwachtingskaart uiterwaard rivierengebied (2014) is aan de gehele Herwijnense Bovenwaard een middellage archeologische verwachting (land) toegekend. Voor het noordelijk deel geldt daarnaast een middelhoge trefkans op ‘begraven aquatische archeologie’, zoals scheepsresten of andere watergerelateerde archeologie. Voor het terrein van het voormalige kasteel Frissestijn geldt een hoge trefkans op archeologische resten.

Figuur 6.64 Herwijnense Bovenwaard op de rivierkaart, 1 e druk, serie 1, kaartblad 10 Zuilichem uit 1832. Bron: Rijkswaterstaat.

Figuur 6.65 Herwijnense Bovenwaard op de rivierkaart, 1 e herziening, serie 1, kaartblad 10 Zuilichem uit 1875. Bron: Rijkswaterstaat.

Figuur 6.66 Herwijnense Bovenwaard op de rivierkaart, 2 e herziening, serie 1, kaartblad 11 Zuilichem uit 1960 (4 e uitgave) .

Bron: Rijkswaterstaat.

Figuur 6.67 Herwijnense Bovenwaard op de Archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied. Bron: Cohen et al. 2014.

Cultuurhistorie

De meeste gebouwde monumenten in de omgeving van de Herwijnensche Bovenwaard bevinden zich aan de binnenzijde (landzijde) van de in de jaren 90 van de 20 e eeuw aangelegde dijk, langs de oude Waaldijk ter hoogte van het Kerkeneind (zie figuur 6.68). Buitendijks is één gemeentelijk monument gelegen (zie figuur 6.68). Het gaat om het pand aan de Waaldijk 66, een dwars op de dijk gelegen woonhuis met werkplaats. De werkplaats heeft ook nog dienstgedaan als postkantoor. Het pand is van belang vanwege de typologische herkenbaarheid (woning, werkplaats, wijzigingen postkantoor), het passende eenvoudige samengaan van twee volumes, de subtiele verschillen tussen de bouwdelen, de fraaie ligging aan de dijk, de typologie van dijkbebouwing, de ruimtelijke kwaliteit, de geschiedenis van Herwijnen, de open en ongeschonden zichtlijnen en de intacte details.

Figuur 6.68 cultuurhistorische waarden Herwijnense Bovenwaard

Figuur 6.69 Foto gemeentelijk monument Waaldijk 66 in de uiterwaard

Toelichting effecten varianten

Effect op landschappelijke kwaliteiten

De openheid in het westelijk deel is een kwaliteit, de rivier wordt hier goed zichtbaar en beleefbaar. Het oostelijke deel is meer beplant en kent een afwisselend karakter. Variant één richt zich voornamelijk tot het westen en variant twee tot het oosten van de uiterwaard. Zo blijft er altijd een groot gedeelte van de uiterwaarde intact, het effect is dus lokaal. Het verbinden van de plassen, zoals opgenomen in de varianten heeft landschappelijk weinig impact.

Variant 1a: Deze variant volgt het tracé van de strang maar breidt deze uit tot een brede geul. De geul beslaat bijna de het gehele westelijke deel van de uiterwaard. Om de openheid te behouden moeten de oevers vrij van beplanting blijven. Op die wijze verandert wel het karakter, hij blijft open maar krijgt een compleet andere invulling, het is meer een deel van de rivier. Het is een ander beeld maar niet negatief en daarom neutraal beoordeeld (0).

Variant 1b: Deze variant volgt het oorspronkelijke tracé van de strang en sluit aan bij de huidige laagte in het gebied. Deze variant kan worden gezien als een verbreding en verlenging van de bestaande waterloop. Het kenmerkende open karakter van dit deel van de uiterwaard blijft behouden en krijgt iets meer variatie hetgeen een versterking kan betekenen bij een goede invulling. Dit is positief gewaardeerd (+).

Variant 2a en 2b: In deze varianten worden de kleine omsloten kleiputten deel van een nieuwe geul. Verder heeft de nieuwe waterloop geen relatie met de opbouw van het gebied waardoor het een losse, beetje merkwaardige toevoeging wordt. Door de geul verdwijnt een deel van de halfopen beplanting en wordt de oude zomerkade doorbroken. De beleving van de geul vanaf de dijk zal in deze variant minimaal zijn, slechts vanaf het klompenpad zal men deze geul kunnen beleven. Er is sprake van een negatief effect (-).

Effect op archeologiche waarden

Voor alle varianten geldt dat de voorgenomen ontgraving plaatsvindt in gebieden met een lage archeologische verwachting op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Lingewaal. Voor variant 1a geldt dat de voorgenomen ontgraving grotendeels plaatsvindt in een gebied dat aan het einde van de 19 e eeuw een nevengeul van de Waal vormde. Voor variant 1b geldt dat de voorgenomen ontgraving geheel plaatsvindt ter hoogte van deze voormalige nevengeul. De voorgenomen ontgravingen in de varianten 2a en 2b vinden grotendeels plaats ter hoogte van het deel van de uiterwaard dat buiten het bereik van de 19 e -eeuwse nevengeul is gebleven en waarvoor op de archeologische verwachtingskaart uiterwaarden rivierengebied een middelhoge archeologische verwachting geldt met betrekking tot ‘begraven aquatische archeologie’.

In variant 1a heeft de ontgraving ten behoeve van de strang een oppervlakte van ca. 11 hectare. De maximale ontgravingsdiepte bedraagt circa 3 meter beneden maaiveld (0,5 meter boven NAP; talud 1:10). Daarnaast wordt de strang verbonden met de bestaande kleiwinplassen ten noorden ervan en worden deze plassen onderling met elkaar verbonden. Tussen de meest oostelijk gelegen plas en de rivier wordt een inlaatwerk/duiker gerealiseerd. Ook wordt een inlaatwerk/duiker gerealiseerd tussen de strang en de rivier. In variant 1b is het oppervlak van de strang met circa 5,4 hectare aanzienlijk kleiner dan in variant 1a. Daardoor is de watergang die de strang met de bestaande plassen moet verbinden langer. De maximale ontgravingsdiepte voor de strang bedraagt circa 3 meter beneden maaiveld (1,0 meter boven NAP; talud 1:10). In variant 2a bedraagt het totale te ontgraven oppervlakte voor de strang circa 3,6 hectare. De maximale ontgravingsdiepte bedraagt circa 3 meter beneden maaiveld (1,0 meter boven NAP; talud 1:10). Voor het realiseren van de strang wordt gebruik gemaakt van de twee bestaande meest zuidelijke kleinwinplassen. Er wordt een watergang gegraven die de strang en de noordelijker gelegen kleiwinplas verbindt met de rivier. Deze watergang volgt de voormalige kil op de 18 e -eeuwse kaart en ligt ter hoogte van de 19 e -eeuwse nevengeul. Tussen de strang en de rivier wordt een inlaatwerk/duiker gerealiseerd. In variant 2b is het oppervlak van de ontgraven ten behoeve van de strang met circa 2,8 hectare iets beperkter dan in variant 2a. De maximale ontgravingsdiepte voor de strang bedraagt circa 3 meter beneden maaiveld (1,0 meter boven NAP; talud 1:10). Vanwege de omvang van de ontgravingen zijn alle varianten in principe vergunningplichtig vanuit de archeologie.

Omdat in varianten 1a en 1b de strang wordt gegraven ter hoogte van de 19 e -eeuwse nevengeul van de Waal, wordt het effect van het graven van de strang als neutraal beoordeeld. Voor het verbinden van de meest noordelijk gelegen kleiwinplas met de strang wordt een watergang gegraven langs het archeologisch rijksmonument, het terrein van het voormalig kasteel Frissestijn. De kleiwinplas grenst aan het kasteelterrein. Uitgangspunt is dat de stroming in deze waterverbinding – die aan twee zijden met de rivier in verbinding staat – geen effect mag hebben op het archeologisch rijksmonument. Het (verder) uitgraven van de bestaande watergang heeft vooralsnog geen negatieve effecten op het wettelijk beschermde terrein. Varianten 1a en 1b zijn neutraal beoordeeld (0).

Omdat in varianten 2a en 2b een deel van de ontgravingen plaatsvindt in een deel van de uiterwaard waar oudere rivierafzettingen van de Waal aanwezig zijn (van vóór de Volle Middeleeuwen) en hier sprake is van een middelhoge trefkans op begraven watergerelateerde archeologie wordt het effect van het graven van de strang als licht negatief beoordeeld. Voor het verbinden van de meest noordelijk gelegen kleiwinplas met de strang en de rivier, wordt een watergang gegraven langs het archeologisch rijksmonument, het terrein van het voormalig kasteel Frissestijn. De kleiwinplas grenst aan het kasteelterrein. Het is in dit stadium niet bekend wat het effect van de stroming in deze waterverbinding – die aan twee zijden met de rivier in verbinding staat – zal zijn op het archeologisch rijksmonument. Uitgangspunt is dat de stroming in deze waterverbinding – die aan twee zijden met de rivier in verbinding staat – geen effect mag hebben op het archeologisch rijksmonument. Samengevat is het effect van varianten 2a en 2b licht negatief beoordeeld (0/-).

Effect op cultuurhistorische waarden

Geen van de varianten heeft een negatief effect op beschermde cultuurhistorische waarden in de Herwijnense Bovenwaard. Er worden geen gebouwde rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aangetast als gevolg van de te graven geul. Ook zijn er geen ingrepen voorzien ter hoogte van historisch-geografische waardevolle structuren en/of elementen.

Beoordeling varianten

De effectbeoordeling kan samengevat worden in onderstaande tabel.

Tabel 6.36 Effecten landschap, archeologie en cultuurhistorie

 

Variant 1a

Variant 1b

Variant 2a

Variant 2b

Effect op landschappelijke kwaliteiten

0

+

-

-

Effect op archeologische waarden

0

0

0/-

0/-

Effect op cultuurhistorische waarden

0

0

0

0